Amfibieën

[slideshow_deploy id=’323’]

ALGEMENE KENMERKEN VAN DE AMFIBIEËN

Amfibieën onderscheiden zich van vissen door hun vermogen zich buiten het water te begeven. Ze hebben in principe twee paar poten en bovendien ook longen (vissen hebben kieuwen). Op de huid liggen geen schubben, maar er bevindt zich een hoornlaag. De hoornlaag ontstaat door het afsterven van de buitenste cellen van de dunne huid. Deze laag beschermt de dieren tegen uitdrogen als ze zich op het land begeven. De hoornlaag wordt op gezette tijden afgestoten en vervangen door een nieuwe, welke zich onder de oude heeft gevormd (vervelling). Amfibieën maken naast de longademhaling ook gebruik van huidademhaling. De in de huid gelegen bloedvaten kunnen zuurstof uit de omgeving opnemen (diffusie). Veel soorten amfibieën scheiden via klieren in de huid een substantie uit die hen tegen uitdrogen beschermt. Ook zijn er soorten die in bepaalde klieren een min of meer giftig secreet produceren dat door de huid wordt afgescheiden als een vorm van verdediging. Ondanks hun aanpassingen aan het landleven zijn amfibieën vaak gebonden aan een meer of minder vochtig milieu. Ze zijn vaak ’s nachts actief en hebben een voorkeur voor de wat koelere plaatsen. Amfibieën kunnen hun lichaamstemperatuur niet zelf reguleren en constant houden. Ze zijn dus ectotherm, dat wil zeggen afhankelijk van de omgeving waar ze zich bevinden. De alom bekende term “koudbloedig” is onjuist, omdat het bloed niet koud is, maar ongeveer gelijk aan de omgevingstemperatuur. Voor hun voortplanting zijn amfibieën afhankelijk van water. De afgezette eieren hebben geen schaal, maar zijn meestal omgeven door een geleiachtige substantie. De eieren hebben op z’n minst een vochtige omgeving nodig om tot ontwikkeling te komen. Meestal gebeurt dit in het water. De pas uitgekomen larven hebben nog geen poten, maar wel een staart. Voor de ademhaling maken de larven gebruik van hun kieuwen en hun huid. Na verloop van tijd krijgen ze pootjes en gaan ze via hun longen ademhalen. Dit noemt men de metamorfose. Hierna gaan ze pas de definitieve kenmerken van een volwassen amfibie vertonen en kunnen ze het water verlaten.